Hoi.

‘Hoi.’
‘Hoi.’
‘Zo,’ zeg ik.
‘Ja,’ zeg jij.
‘Dus.. je bent er nog,’ zeg ik. Het is alsof de wind mijn woorden vangt en meeneemt voor ze enig ander oor bereikt hebben, zo stil zeg ik het. Puur uit angst dat elk woord teveel kan zijn en je zo weer kan wegvegen.
‘Ja.’
Een onhoorbare zucht verlaat mijn lippen. De opluchting die in mijn stem doorklinkt, is dan weer niet te verbergen. ‘Dat dacht ik al.’

Vanuit mijn ooghoeken kijk ik even naar je, links van me. Mijn hart maakt even een sprongetje, tot in mijn keel. Je bent het echt. Jij, zonder wie ik niet kan. Zonder wie ik verder moest, zeiden ze.
Zonder wie ik niet verder moet, fluister ik zachtjes tegen mezelf.
‘Wat zeg je?’ vraag je.
‘Niks hoor,’ zeg ik snel. ‘Ik praatte maar wat tegen mezelf. Soms doe ik dat.’
‘Oh.’
‘Ja.’

‘Ik vind het zo leuk dat je er bent,’ ga ik verder. ‘Ik mis je heel erg, weet je dat?’
‘Als ik mij was, was ik ook niet weggegaan, dat kan ik je op het hart drukken. Maar iets anders heeft in mijn plaats beslist.’ Ik knik.
En dan begin ik te praten. Ik vertel alles. Over school en stage, over hoe fijn ik het heb op mijn nieuw kot, wat voor leuks ik allemaal doe en hoe ik steeds meer ontdek hoeveel lieve mensen er op de aardbol rondlopen. Ik praat zo lang, dat ik plots verschrikt naast me kijk.

Je loopt er nog steeds. Op jouw manier, op de manier zoals je dat in mijn herinneringen aan je doet. En ik ben weet ik veel wie die ervoor zorgt dat je nu bij me bent, oneindig dankbaar.
‘Weet jij hoe dat moet, zo.. zonder jou?’ vraag ik plots. ‘Ik kan het niet,’ breng ik uit, ‘ik huil elke avond, ik mis je zo, ik wil niet dat je voor altijd weg bent. Ik zoek je. In de stad, in de bus of trein en soms.. soms in de wolken. Waar ben je?’

‘Ik weet niet waar ik ben, ik ben waar je me zoekt.. soms.’ Ik kijk hem verward aan, ik wilde een eenduidig antwoord. Een plaats, een tijdstip. Niet niets.
‘En nu moet je verder, meisje. De trein wacht niet.’
Ik kijk voor me. De trein. En links van me. Leeg. Je bent weg, weer. Tot de volgende keer, als ik je zoek en vind, denk ik, terwijl ik uit het raam staar en de landschappen voorbij zie zoeven.
Het leven gaat weer verder. Dat van jou nooit meer.

28-oktober