De details en over Universeel Verdriet.

Verdriet is universeel. Niemand ontkomt eraan, aan het moeten afgeven van iemand die je liefhad. Onverwacht heelt minder snel – zo voelt mijn hart dat toch. Ik schreef en blogde, en wiste. Maar niks mis met kwetsbaarheid, leerde ik onlangs. En dus vijf maanden later, vijf maanden na de zoveelste niet-meer-verjaardag en heel dichtbij zoveel-jaar-niet-meer. Negen al, trouwens. Of hoe negen jaar soms nog net zo voelen als 24 uur.

 

De details, een mens vergeet ze. Bij elke ademteug vervagen ze verder. Bij wijlen sla ik als een wilde om me heen, in een poging zij die me willen ontglippen bij te houden.

Er zijn de foto’s, niet zo veel. Had ik het op voorhand geweten, ik had het vastgelegd, alles en nog meer. Ik denk wij allemaal. Nu zijn er wel, maar veeleer per ongeluk en slechts een paar goeie. Die staan en hangen waardoor ik elk detail daarvan met mijn ogen dicht kan natekenen. Bang ben ik, dat die statische beelden sterker en helderder zullen worden dan de echte. Want de echte, die bewegen. Ze bewegen, ze praten, ze lachen, ze zijn. Ze ademen jou en ik wil ze nooit ofte nooit kwijt en toch kan ik het niet tegenhouden. Met het tikken van de klok wordt je stem zachter, je blik vager en worden je bewegingen grover, alsof de fijne motoriek aan je kunnen ontsnapt.

Elk jaar opnieuw duw ik de datum die er weer een jaar bij doet ver voor me uit, want tijd lijkt de boosdoener. Ik vraag me af hoe herinneringen werken, of nieuwe de oude overschrijven als op een volle harde schijf, of dat het gewoon een kwestie van heel goed zoeken is. Misschien zullen ze er altijd zijn en is ze kwijt raken geen optie maar alleen maar angst.

En toch, ik was vergeten dat je soms peinzend uit het raam kon kijken, handen op de rug, onverstoorbaar, je hoofd een klein beetje naar voor, je mondhoeken naar beneden. Van serieuziteit, niets anders. Er is een foto waarop je dat doet, ergens op de achtergrond, per ongeluk. Maar je manier van stappen, je tred, ik ben het kwijt. Hoe je handen eruit zagen, ik ben het kwijt. En ook nog, je stem zachter, zeg ik, maar ze is weg. Ik sluit mijn ogen, ik spits mijn oren zoals geen dier dat kan maar het blijft stil. Oorverdovend stil en bij besef is het alsof mijn hart geplet wordt door een zware steen.

Ik zie wel hoe je in je Mercedes aangereden komt, met oma naast je. Altijd zomer, het is altijd zomer. En wij, wij rennen door de tuin en huppelen over het voetpad, want de stenen zijn te warm voor onze blote voeten. Met bloemen en cadeaus want er is altijd iemand jarig en jij bent altijd goedgezind en joviaal. Joviaal is een woord dat moet uitgevonden zijn voor jou.

Ik zie je ook op het strand in je zwembroek. Je witte haren alle kanten op door de zeewind, je huid diepbruin door de zomerzon. Altijd bezig, met de petanqueballen, met die houten tennisracketjes, met vliegeren, met ons. Allemaal en altijd onder toeziend oog van oma, in de strandstoel voor het strandhuisje met een boek of een tijdschrift. Je bent ook een stipje in de zee, want je zwom altijd zo ver als je kon en weer terug. Ook als de vlag rood was. Rode vlaggen waren er niet voor jou.

Ik zie je ook in de trein, en in de zoo van Antwerpen. Ik zie je thuis en ik zie je overal. Soms kom ik je tegen op straat, nog steeds. Het stelt me gerust.
Ik zie zoveel, soms gedetailleerd en soms heel vaag. Soms omdat ik het wil en soms zo plots en in my face. Iets in mij weet: weg ben je nooit. Maar ik wil gewoon zo graag, echt heel graag, gewoon nog eens je stem horen, de stilte breken, bij jou zijn.

Bij jou zijn, ja, dat.

 

°08-02-1928

✝25-07-2006